Wereldreizigers bijna weer in De wilgen

De Wilgen

De vorig jaar per camper naar Singapore vertrokken familie van der Land uit de Wilgen heeft de terugreis bijna voltooid.

Via Laos, China, het Noordelijk deel van Tibet, Kirgyzie, Kazachstan, Siberie, Rusland, Polen en Duitsland komen ze thuis. Vorige week waren ze al tot Moskou gevorderd. Ze hopen omstreeks begin augustus weer terug te zijn. Hun verslagen zijn ook te lezen via hun website, www.camperreisdrachtensingapore.nl.

We zijn inmiddels na een aantal stevige problemen aan onze terugreis begonnen. Allereerst had een kolonie ratten hun best gedaan om onze camper volledig te slopen. Van bedrading tot alle voorraden en van bekleding tot beddengoed. Zelf souvenirs hadden ze niet ontzien. Het heeft ons veel moeite gekost om de enorme rotzooi op te ruimen. Toen dat klaar was bleek dat de vorig jaar gerepareerde injector het nu electrisch had begeven. We moesten nog een extra week wachten op een nieuwe injector uit Drachten.

Van Vientiane naar Chengdu

We zijn met smoorheet weer vertrokken uit Vientiane. De temperatuur was 38 graden en de luchtvochtigheid bedroeg 75%. Nadat we net bij Maaike, de dochter van Joan, weg zijn gereden, blijft de camper met de op het dak bevestigde reservewielen aan een paar te laaghangende stroomdraden hangen. De uitschuiftrap uit de bagageruimte biedt uitkomst. Nadat we de boel weer hadden losgetrokken, konden we dan eindelijk de stad uitrijden, richting Luang Prabang. Het verkeer is redelijk chaotisch en we maken weinig kilometers per uur. We mogen blij zijn als we het toeristenstadje Vang Vieng in de namiddag bereiken. De weg is erg druk en we belanden net voordat het donker wordt op de oude startbaan, waar we ook op de heenreis hebben geslapen.

Vanuit Vang Vieng is het een dag flink doorrijden om in Luang Prabang te komen. We plaatsen de camper in de schaduw van een paar grote bomen aan de oever van de Mekong. Het stadje is altijd druk. Veel toeristen uit Europa, die de oude mooie binnenstad, de authentieke tempels en ook de vele leuke restaurantjes en barretjes bezoeken. We gaan een dagje varen met een klein bootje over de Mekong en bezoeken een grot, waarin men een hele tempel met veel Boeddhabeelden heeft gebouwd. Een jonge Boeddhistische novice van een jaar of 12 geeft ons zaklantaarns en loopt met ons mee om te voorkomen dat we onze benen breken op de oneffen trappetjes die de grot ingaan.

Ook bezoeken we een dorpje waar men Lao Lao stookt van rijst. Het gefermenteerde goedje heeft een alcoholpercentage van 60%. Je kunt er een straalmotor op laten lopen. We hebben veel belangstelling van toeristen die onze camper zien staan. Het levert allerhande interessante gesprekken op. We doen inkopen voor de komende weken. In Laos zijn veel Europese producten te krijgen, waaronder heerlijk Frans brood. Dat gaat ons in China niet lukken.

-----------------

Vanuit Luang Prabang gaan we richting het Noorden. We moeten naar de grens, maar dat halen we niet in een dag. Dus stoppen we onderweg in het stadje Udonxai, bij een hotelletje waar we ook de heenreis mochten parkeren. De manager is uiterst behulpzaam. De volgende dag laten we onze auto nog wassen, want onderweg is de buitenkant roodgeel van de modderplassen geworden. Met z’n vijven gaan ze de auto te lijf. Kosten 5 euro inclusief afdrogen.

Daarna vertrekken we via een smalle hooggelegen bergweg naar het grensplaatsje Boten. We rijden door een straatarm gedeelte van Laos. De hutjes onderweg zijn van bamboe en riet gemaakt, maar er zit wel een schotelantenne op het dak. Opvallend. We komen in de namiddag bij een soort van douanepost, ongeveer 10 kilometer voor de grens zelf. Het stortregent en het is er een grote modderpoel. Alleen maar gaten in het wegdek, voor zover dat er is.

Nu is het uur van de waarheid gekomen. Omdat we de camper veel te lang in Laos hebben moeten laten staan, moeten we volgens de Laotiaanse importpapieren een boete betalen van 5 of 10 dollar per dag, al naar gelang de reden van het te lange verblijf. Dat kan in ons geval oplopen van minimaal 1100 dollar tot 2200 dollar. Gelukkig zijn we met brieven van het UMCG, Fiat Talsma, de Canadese- Laotiaanse garagehouder Mike Murphy en de zelf geknipte/geplakte verklaringen naar een Engelssprekende hoge ome van de douane in Vientiane gegaan. Hij was zodanig onder de indruk van alle onheil dat ons was overkomen dat hij een, in het Lao opgesteld, briefje aan de stapel heeft gehecht. Daarin vraagt hij de douane collega’s aan de grens om ons gewoon door te laten gaan.

Maar de eindbeslissing over de hoogte van de boete is afhankelijk van de dienstdoende ambtenaar aan de grens. De douane mensen van het douanekantoortje maken kopieën van alles en het duurt lang. Maar na overleg en telefoneren neemt men alle documenten van ons over en we mogen doorrijden. We besluiten opgelucht om eerst maar te gaan slapen in het plaatsje Boten. Het lijkt wel of men er een groot belastingvrij paradijs voor grensoverschrijdende Chinezen van wil maken. Er worden enorme shopping malls gebouwd. Het oude stadje is nauwelijks meer te zien.

-----------------

De volgende morgen komen we bij de echte grens aan. De Laotiaanse immigratie-officieren eisen de uitreispapieren van de auto. We schrikken enorm, want die hebben we gisteren bij de douane al ingeleverd en ondanks ons verzoek hebben we geen kopieën meegekregen. We worden onverbiddelijk teruggestuurd. Met de schrik om het hart, want misschien moeten we toch nog veel geld betalen. We rijden weer terug over het totaal kapotgereden stuk weg.

Toevallig is dezelfde officier, die ons gisteren zonder kopieën heeft doorgestuurd, weer aanwezig en hij vist onze paperassen net op tijd uit een reeds gesloten postzak. Nadat we een kopie van hem mee hebben gekregen melden wij ons weer bij de grens. Ook hier bestudeert men het Laotiaanse kladje van de hoge ome uitvoerig. Dan valt de beslissing. We mogen zonder kosten het land uit. Blij en opgelucht rijden we het niemandsland tussen Laos en China binnen.

Bij de Chinese grenspost gaat het afhandelen erg professioneel. We zien onze nieuwe verplichte gids aan de andere kant staan en maken kennis. Andy zal 30 dagen lang onze China tour begeleiden. We kunnen vrij snel langs de diverse kantoren voor de benodigde stempels en rijden zonder douane inspectie het grote land China weer binnen. Wat een verschil met vorig jaar aan de grens tussen Mongolië en China, waar het 2 dagen duurde om verder te kunnen rijden. Het allereerste dat ons opvalt is het verschil in activiteiten van de lokale bevolking. We vragen ons af waarom men in Laos vlakbij de grens niets doet en men hier bruist van energie. Ook hier zijn arme drommels, maar ze doen wat om aan de kost te komen. Al is het maar vuilnis bij elkaar scharrelen.

-----------------

We rijden naar het plaatsje Mengla waar we ons Chinees kenteken en voor Joan een rijbewijs ontvangen. Ik ben met mijn 70 jaar officieel te oud om in China te mogen rijden. Maar onze gids blijkt er geen moeite mee te hebben als ik achter het stuur zit. Alleen bij controleposten wisselen we even van bestuurder. We rijden in een paar dagen met afwisselende landschappen en slaapplaatsen in kleine dorpjes, naar de oude stad Dali. In de binnenstad heeft men de oude straatjes erg mooi in stand gehouden. Het is de stad van de Bai minderheid. Vooral de vrouwen gaan prachtig mooi gekleed de straat op om hun boodschappen op de markt te doen. Na Dali gaan we verder naar het Noorden, naar de stad Shangri La.

Onderweg gaan we langs een schitterende diep kloof waar, volgens het verhaal, vroeger een reuzentijger overheen is gesprongen. De Tiger Leaping Gorge is via een stelsel van trappen te bereiken en is de moeite waard om te zien. Het water van de Yangtze rivier wordt door grote rotsblokken belemmerd en raast erlangs met donderend geweld. We rijden langs dezelfde gevaarlijke bergweg, zonder enige vangrail aan de steile randen, terug om daarna via een mooie en beveiligde 2 baansweg naar het hooggelegen Shangri La te gaan. We merken dat de ademhaling lastiger is en dat we geen grote krachttoeren moeten uithalen. Het slapen gaat ook onregelmatig op een hoogte van 3400 meter. De oude houten binnenstad is in 2014 volledig door brand verwoest. Maar men is in staat geweest om in 4 jaar tijd bijna alle oude huisjes en winkeltjes weer in stijl te herbouwen.

Via een aantal oude dorpen komen we in Leshan, waar monniken in de 8ste eeuw in 90 jaar tijd een reusachtig Boeddhabeeld van 70 meter hoog in de rotsen hebben uitgehakt. Vanaf de rivier is het beeld goed te zien. Na deze stop gaan we naar de grote miljoenen stad Chengdu. Het is de hoofdstad van de Sichuan provincie en er wonen 16 miljoen mensen op een oppervlakte, zo groot als de provincie Friesland. Hier willen we een paar dagen onze rust nemen, om weer voldoende energie te hebben voor de andere helft van onze China toer.

Na onze vorige oproep, om ook nog de laatste kinderen van de wachtlijst naar school te kunnen laten gaan in Tanjung Priok, kunnen we nu meedelen dat de actie is geslaagd. Het benodigde geld om alle gescreende kinderen te helpen is binnengekomen. Wij willen iedereen die dat mogelijk heeft gemaakt hartelijk bedanken voor de hulp. In een later stadium zullen wij de financiële verantwoording en de lijst met alle kinderen aan eenieder toesturen die daar belangstelling voor heeft.

Van Chengdu naar Kashgar

In Chengdu mogen we onze camper op het grote universiteitscomplex parkeren. Relaties van onze gids doen wonderen. We staan echter precies voor het restaurant waar duizenden studenten en hoogleraren dagelijks hun maaltijden nuttigen of afhalen. Allemaal Chinezen die basis Engels beheersen. Je kunt je misschien wel voorstellen dat we af en toe genoeg hadden van alle belangstelling en vragen om selfies met ons te mogen maken.

Als je Chengdu bezoekt, moet je naar het Panda researchinstituut. Deze stad is bij uitstek het centrum van de Panda. We lopen het mooie park binnen waar het al vroeg erg druk is. Het lijkt meer op een soort bedevaartsoord. Duizenden mensen die de Pandaberen willen bewonderen. We zien 4 baby Pandabeertjes in een couveuse. Ze wegen bij de geboorte maar 100 gram en zijn helemaal kaal. Een volwassen Panda weegt 100 kilogram en heeft een dikke vacht tegen de winterse kou op de hoogtes waar ze leven. Daarom is het voor een pandababy in het wild een hele toer om de eerste maanden door te komen. Er leven nog ongeveer 1650 panda’s in China.

-----------------

We verlaten de grote stad en rijden langzaam maar zeker het Tibetaanse plateau op. We merken het aan het landschap, maar ook aan de geloofsuitingen van het Boeddhisme. Het Tibetaanse Boeddhisme is erg kleurrijk. Men heeft overal wel versieringen aangebracht in de vorm van slingers en vlaggetjes. Vooral boven op heuvels. Het gebied begint op Mongolië te lijken. We zien veel Yaks en kleurige tenten van de herdersfamilies. Hoewel onze gids er een beetje omheen draait, was dit deel van China ooit deel van het Mongoolse wereldrijk van Dzjengis Khan. Tibet was toen een aangrenzend en onafhankelijk land en bracht het Boeddhisme via monniken en handelaren naar Mongolië. Ondanks onze opmerkingen daarover blijft onze gids het officiële overheidsstandpunt verkopen. Best lastig, maar hij slaagt erin om ons in ieder geval andere invalshoeken te laten zien. De absolute waarheid bestaat gelukkig niet, alhoewel de communistische partij die wel claimt.

We gaan het hooggelegen plateau over via prachtige, maar erg moeilijk berijdbare provinciale wegen. Met name de overbeladen vrachtauto’s komen nauwelijks de bergen op. Via Zoige, Langmusi komen we dan eindelijk in Xiahe terecht. In Langmusi heeft men een groot tempelcomplex gebouwd. Dat ligt precies aan de beide zijden van de provinciegrens tussen Sichuan en Gansu. Kon er ook geen ruzie ontstaan. In Xiahe bezoeken we een Boeddhistisch universiteit waar monniken kunnen studeren in vakken als filosofie, geneeskunde en astrologie. De tempels en gebouwen vormen een stad op zich. Je mag er alleen met een gids naar binnen. Er wonen ongeveer 700 monniken in en rondom het complex. Wel zien we, met uitleg van een monnik, de indrukwekkende beelden en taferelen in de tempels met een iets andere blik.

Op het parkeerterrein komen we een parkeerwachter tegen met een uiterst klein begrijpertje. We parkeren altijd achterstevoren vanwege het feit dat de kont van de auto dan verder naar achteren kan over de aangebrachte trottoirbanden en we bijna nooit geblokkeerd raken om weg te rijden. Deze meneer konden wij echter niet aan het verstand peuteren dat het parkeren met de kont achteruit precies hetzelfde is als andersom. Na een lange discussie krijgen we begrip voor zijn moeilijke positie. De communistische partij heeft immers nooit gezegd dat het ook andersom kan.

Bij het uitrijden doet zich echter nog een veel groter probleem voor. De slagboom reageert niet op onze kentekenplaat. Hoewel we er dus wel in konden komen, was er nu een probleem. Ook bij sommige andere auto’s met een Chinees kenteken raakt het apparaat inmiddels van slag. We bieden aan om parkeergeld voor een hele dag te betalen als hij de slagboom even wil openen. De man slaagt er niet om die vraag in zijn brein te vertalen in een actie. Het staat immers nergens beschreven dat zoiets kan gebeuren. Hij kan, volgens hem, wel iemand met gezag bellen. De kudde Chinezen achter ons begint ongeduldig te worden en te claxonneren.

We zetten de auto een beetje uit de rijroute om anderen door de slagboom te laten rijden. Ik tel de seconden dat de slagboom nog openblijft nadat een auto erdoorheen is gegaan. Genoeg om een poging te wagen. Ik geef vol gas, vlak achter een grote bus, en zie in de achteruitrijcamera dat de boom strak achter ons langs weer dicht gaat. Na 1 uur zijn we er dus uit, de parkeerwachter in verwondering en wanhoop achterlatend. Het leven van een, in een camper, reizende toerist zit vol met verrassingen.

-----------------

We gaan verder via Hangzhou, waar we op de oude zijderoute terecht komen, naar Xining. Deze grote stad met 4 miljoen inwoners, vormt een keerpunt in onze reis. We gaan nu dwars door Inner Mongolië, het Chinese deel van Mongolië, via de steden Zhangye, Hayuguan naar Dunhuang. Daar is het Mogao grottencomplex in de woestijn te bewonderen. Het is een Unesco monument. Een tot monnik bekeerde militair die een visioen kreeg, is daar in de 4 de eeuw begonnen met het uithakken van een grot in de rotsen. Hij maakte er een tempel ter ere van Boeddha. Het grote complex werd daarna in 700 jaar uitgebouwd tot wat het nu is: een bijzonder mooi grottencomplex met honderden tempels en afbeeldingen.

Na dit bezoek rijden we over een goed geplaveide snelweg naar de stad Hami. Dan rijden we de provincie Xinjiang binnen. Dit is de provincie waar de ongeveer 7 miljoen islamitische, op Turken gelijkende, zwaar gediscrimineerde Oeigoeren wonen. Zij hebben het moeilijk in hun land, want ze worden als terroristen beschouwd. En dat merken we meteen. Alle papieren worden gecontroleerd, we moeten uit de auto en alle documenten worden op de foto vastgelegd. Andy vertelt ons dat deze controles overal op snelwegen plaatsvinden. We zijn verrast door de serieusheid waarmee hij probeert ons het overheidsverhaal te laten geloven. Ik vraag nog hoeveel aanslagen dan het laatste jaar door Oeigoeren zijn gepleegd, maar dat blijkt een lastige vraag. Het is volgens hem voor onze eigen veiligheid. Waar hebben we dit ook alweer eerder gehoord? O ja, dat was in het Koerdische deel van Turkije. Frappant.

We moeten nu ook op beveiligde parkeerterreinen van hotels slapen. Na de eerste nacht in, wat lijkt, een oorlogsgebied waar ieder restaurant en hotel beveiligingspoorten heeft rijden we verder naar Turpan. Deze stad ligt op 100 meter onder het zeeniveau en staat bekend als de warmste stad in China. Temperaturen variëren van -20 tot +55 graden. Wij arriveren, na weer de nodige wegblokkades en controles, wat later op de middag met nog een temperatuur van slechts 44 graden. Het is werkelijk een Chinese wokpan. Deze stad kan alleen maar bestaan omdat er bergwater beschikbaar is voor irrigatie en huishoudelijk gebruik. Er is overdag bijna niemand op straat. We proberen te slapen onder ons fannetje, maar het blijft ook in de nachtelijke uren 36 graden.

Vanaf Turpan is het dan een kwestie van kilometers maken om in Kashgar te komen. Dat blijkt niet eenvoudig te zijn. Ieder tankstation is hermetisch afgesloten, de bijrijder moet de auto uit en mag lopend langs het tankstation verder. Met het ID-pasje van onze gids mag je naar de wc. Alsof de Oeigoeren zich op de smerigste toiletten ter wereld gaan opblazen. Er zijn andere, meer aansprekende manieren om jezelf de dood in te jagen. Het is werkelijk bizar hoe men omgaat met een andersdenkende, anders gelovende minderheid die hier al minimaal 2000 jaar woont. We schrikken hier erg van en vinden het diep triest voor de Oeigoeren.

-----------------

Na 2 dagen van kilometers maken door het grote woestijngebied van Inner Mongolië, komen we eindelijk in Kashgar. Het is een bijzondere plaats met invloeden uit Pakistan, Afghanistan, Turkije, de Stanlanden en Rusland. Hier vond tijdens de zijderoute de handel in zijde, tapijten, aardewerk en kruiden plaats. Hier vindt men ’s werelds alleroudste markt, met kamelen, geiten, schapen en koeien. Ook worden er allerhande stoffen verhandeld. De markt draait ’s zondags en bestaat al meer dan 1500 jaar. Het is een komen en gaan van boeren en handelaren. Je moet je niet druk maken over de manier waarop de dieren worden behandeld. De beesten worden soms beestachtig van het vervoermiddel afgeschopt. Verder hangen de geslachte kadavers keurig uitgestald aan een waslijn. Hier word je spontaan vegetariër van voor een paar dagen.

Daarna zijn we nog 200 kilometer zuidwaarts, richting Afghanistan, gereden over de zeer hooggelegen Karakorum highway naar het Karakul meer. Onderweg komen we langs erg hoge bergen van meer dan 7500 meter hoog, die zijn bedekt met gletsjers. Het uitzicht is gewoon niet te beschrijven. We hebben al veel gezien, maar dit slaat alles. Je voelt je een minuscuul klein mensje in verhouding met de torenhoge pieken. Zelf rijden we slechts op 4000 meter hoogte om bij het meer te komen. Langs de hele route zijn weer allemaal controleposten. We worden er opstandig van. Wat doet men hier een moeite om anderen constant te pesten. Het voelt niet langer goed. Het wordt tijd om morgen naar Kirgizië te gaan.

Door Kyrgyzstan en Kazachstan

Nadat we met een enorme berg documenten de Chinese bureaucratie te lijf zijn gegaan, mogen we eindelijk het land weer uit. Eerst moet de camper nog worden gewogen, gescand en geinspecteerd, voordat we naar de 12 kilometer verder gelegen grens mogen rijden. Daar houdt men echter een lunchpauze van 3,5 uur. Om 4 uur ’s middags kunnen we eindelijk de werkelijke grens over. Dan is het een verademing dat je voor Kyrgyzstan geen visum nodig hebt, dat je welkom wordt geheten door de immigratie officier en dat ze je helpen met het maken van een verplicht reisdocument voor de camper. Dat alles in een half uur tijd. Lang leve simpele procedures.

We rijden over de Pamir Highway naar onze eerste stopplaats in Kyrgyzstan. Onderweg is het een adembenemend gezicht als je zelf op 4500 meter hoogte langs bergen rijdt die 7500 meter hoog zijn. We raken niet uitgekeken en schieten honderden plaatjes van de fabelachtig mooie bergtoppen met pakken sneeuw. Dan komen we aan in het dorpje Sary Tas. We kunnen bij een klein restaurantje parkeren en ontmoeten daar een Nederlands echtpaar dat al 25 jaar rondzwerft in een Toyota Landcruiser met opbouw. Zij hebben geen huis en leven als het ware stateloos. Wij zijn echter toch ook wel blij om in augustus weer in ons eigen huis te kunnen zijn. Kyrgyzstan is een schitterend land. De natuur is overweldigend. Het land is arm en de prijzen zijn voor ons als West-Europeanen erg laag. We eten met z’n tweetjes voor 5 euro, inclusief een biertje. Dat scheelt een slok op een borrel.

Vanaf Sary Tas gaan we naar de grens met Tadzjikistan. Vanuit een hooggelegen vlakte kunnen we de ruige natuur van dat land bekijken, waaronder de 7600 meter hoge Lenin Peak. We hadden dit land ook op ons lijstje staan, maar het binnenkomen is lastig omdat sommige grenzen voor buitenlanders gesloten zijn. Vreemde zaak, want waar heb je dan grenzen voor. We rijden terug en gaan dwars door een bijna ontoegankelijk gebied voor een gewone camper naar Osh, de tweede stad van Kyrgyzstan. Bij het wisselen van dollars bij een bank in die stad word ik bijna voor 45 dollar opgelicht. De dame had echter in de gaten dat ik haar wisseltruc begreep en gaf mij in rap tempo het ontbrekende deel. We doen inkopen op een grote bazaar en schaffen, na omslachtig afdingen, fruit, groente en droge vruchten aan voor 3 euro. Afdingen hoort bij de deal.

-----------------

We rijden daarna naar de stad Toktogul, waar we willen blijven slapen. We vragen de weg naar een restaurantje aan een passerende dame. Ze stapt kordaat in de auto en brengt ons naar een Engelssprekende vriendin, die ons prompt uitnodigt om bij haar te komen eten. Over gastvrijheid gesproken. De volgende ochtend worden we wakker geklopt, want het ontbijt staat klaar. Zoiets kun je dan niet afslaan, want dat is een belediging. Na een hartelijk afscheid, reizen we naar het grote Isik Kolmeer, waar we in een paar dagen omheen willen rijden. Het is 150 bij 75 kilometer groot en is 700 meter diep en het water raakt ’s winters nooit bevroren, ook al vriest het in de omgeving soms 30 graden.

We kamperen en zwemmen op een paar geschikte locaties en nemen wat rust. In het plaatsje Pristan, dat ook aan het meer ligt, bezoeken we het huis van Przewalski. Deze Russische officier heeft, in 1870 als ontdekkingsreiziger vanuit het Siberische Buryati, een aantal reizen gemaakt door toen nog onbekende gebieden in Mongolië, China en Tibet. Hij ontdekte daar toen het naar hem genoemde wilde paard dat we in levenden lijve vorig jaar hebben kunnen zien in Mongolië. Zo is het cirkeltje weer rond. Ook maken we kennis met een stel maritieme onderzoekers uit Rusland. Zij bestuderen de biologie van het meer. We hebben een gezellige avond met elkaar en de volgende morgen vinden we een fles wodka bij de deur van de camper. De mannen moesten overigens niets hebben van Vladimir P. en het geboefte om hem heen.

-----------------

De hoofdstad van Kyrgyzstan, Bishkek is de laatste stop voordat we naar Kazachstan verder reizen. De stad is een soort van overblijfsel uit de communistische bouwtijd. Kale, saaie en bouwvallige flats. Toch zijn er ook mooie parken met fraaie beelden. Het centrum heeft grote pompeuze overheidsgebouwen waarvoor vaak erg bombastische beelden zijn neergezet. Blijkbaar moest het grootse van de socialistische heilstaat in graniet worden vereeuwigd.

Na een dagje rondneuzen reizen we de grens over met Kazachstan. Het is niet een moeilijke barrière, maar het kantoortje waar ze je een (verplichte) verzekering proberen aan te smeren, vergt veel tijd. De jongelui die het kantoor bemannen zijn irritante knapen die je bezighouden met allerlei nonsens en nog niet eens het merk van de auto kunnen lezen. Als ze na een uur een kopie van het rijbewijs, het paspoort en het kentekenbewijs willen maken en er niet eens een vel kopieerpapier in het kantoortje te vinden is, gris ik mijn papieren uit hun handen en rij weg. We zullen wel zien wat ervan komt.

Dat merkten we snel genoeg, want ook dit is een land van veel politiecontroles. Men vraagt een aantal keren naar onze “documente”. We overhandigen dan een enorme witte ordner en laten ze schrikken van de inhoud. Meestal vindt men het dan opeens genoeg en mogen we ongestoord weer verder. Ook proberen sommige agenten ons wijs te maken dat we te hard hebben gereden, terwijl ze uit de tegenovergestelde richting op ons af kwamen rijden. Men probeert je dan te intimideren en dat werkt bij mij meestal averechts. Ik zet dan pontificaal mijn zonnebril weer op en brul een aantal malen “Njet” en “Welcome in Kazachstan”. Ze kunnen verder gelukkig niets verstaan van wat ik hun nog meer toewens en laten ons daarna dan weer vertrekken. Ook houden we onze paspoorten en rijbewijzen bij een controle stevig vast, zodat we in ieder geval weg kunnen komen met de originele stukken nog in het bezit.

-----------------

Rijden door Kazachstan, vanaf de grens bij Bishkek naar de nieuwe hoofdstad Astana, is rijden door de enorme steppen die het land zo weids maken. De wegen vanaf het Zuiden zijn beroerd en alles rammelt. Blijkbaar heeft men geen geld voor aanleg en onderhoud van wegen tussen de grote steden. Dat terwijl het land rijk is aan olie en mineralen. We rammelen een paar dagenlang door het midden van het immense land en zien nauwelijks dieren in de steppen. Hier en daar een paar kamelen, een ezeltje en een paar magere koeien. We worden regelmatig (on)opvallend in de gaten gehouden. Ook als we ergens onze camper hebben geparkeerd voor de nacht komen er prompt (staats)bezoekers langs. Zelfs na een eerdere controle op de late de avond komen er om half twee ’s nachts weer een paar rondrijdende agenten langs en worden we uit bed geklopt. Dan wordt het ons te gortig, we blaffen ze uit, sluiten de deur en gaan weer op bed. Het blijft daarna rustig.

Na een paar zware rijdagen komen we aan in Astana. We kunnen bij een hostel in de binnenstad parkeren en gaan de stad verkennen met een hop on-hop off bus. Astana is nog maar 25 jaar de hoofdstad van Kazachstan. Daarvoor was dat de oude en bekende stad Alma-Ata, waar nog een stuk Nederlandse schaatshistorie ligt. Het land wordt vanaf het uiteenvallen van het Sovjetimperium door de dictator Nazarbaev met harde hand geregeerd. Omdat dictatortjes in deze regio graag iets willen nalaten voor het nageslacht besloot deze heer van stand, toen hij weer eens vervuld was van zelfgenoegzaamheid, om Astana als hoofdstad uit te roepen. En er werd prompt een enorm megalomaan, miljarden verslindend, bouwproject gestart.

In 25 jaar is er een zeer mondaine stad uit de grond gestampt met hele mooie en ronduit lelijke gebouwen en paleizen. Architecten van over de hele wereld mochten meedoen. Het mocht wat kosten en dat heeft het ook gedaan. Bovendien heeft hij kans gezien om de winterspelen en een wereldexpo hier naartoe te halen. Al die buitensporige uitgaven zijn ten koste gegaan van de aanleg en het onderhoud van de infrastructuur in de rest van het land. Bovendien heeft hij een eigen museum laten bouwen, gevuld met allerlei prullaria en fotomateriaal dat bij zijn almachtige positie behoort. De meeste mensen hebben het hier niet echt breed en deze ego heeft zich omgeven met paleizen die hij vol heeft laten stoppen met zijn fotografische afbeeldingen en marmeren en bronzen beelden. Jammer, maar de fossiele overblijfselen van de Sovjetperiode zullen nog wel een generatie meegaan.

-----------------

Na de hoofdstad te hebben bekeken rijden we verder noordwaarts, naar de Russische grens. De weg vanaf Astana blijkt tot onze verrassing een goede 4 baansweg betonweg te zijn. Onderweg proberen we nog een stop te maken in Burabay. Helaas voor ons was daar een triatlon en een biatlon georganiseerd. Dus was er nergens plaats voor onze camper om even een rustig middagje aan het meer te hebben. We zijn daarop doorgereden naar de meest noordelijke stad Petropavlovsk en daar kunnen we de auto wel kwijt aan een meertje. De volgende dag willen we vroeg vertrekken naar de grens, om een flinke afstand af te leggen. Dan hebben we namelijk een extra dagje in Moskou te besteden. Helaas blijkt de 70 kilometer lange weg vanaf Petropavl naar de grens bar slecht te zijn. Na 2,5 uur buffelen komen we dan eindelijk bij de grens en dan blijkt dat we een echt probleem hebben.

We zijn namelijk een dag te vroeg bij de grens. Het visum staat op 17 en wij zijn er 16 juli. Nooit aan gedacht en dus foutje van onszelf. Dan blijkt dat het onmogelijk is om Rusland 1 dag eerder binnen te gaan, zonder dat daar een hele riedel mensen bij wordt betrokken. Ze doen echter hun best voor ons om het “probleem” op te lossen. Na een paar uur wachten komt het besluit: we mogen Rusland een dagje eerder inrijden. We hebben alle hardwerkende beambten omstandig bedankt voor hun inzet en konden eindelijk beginnen aan de kilometers die we hadden gepland. In ieder geval nu met een goede weg onder de auto, want die moet inmiddels wel erg moe zijn van het gerammel. We nemen er vanavond op onze eerste Russische stopplaats een wodka op.