Portret van Gorredijk: Stephan

GORREDIJK Deze week in de reeks van ‘Portret van...’ een gesprek met en plaatje van Stephan (95) uit Gorredijk.

Stephan kom ik tegen bij Daan’s Drogisterij. De 95-jarige man maakt graag even reclame voor hen. Maar we lopen naar zijn huis bij de Tjerk Hiddes, de oplettende lezer zou nu door moeten hebben dat Stephan uit Gorredijk komt. Onder het genot van een goede bak koffie vertelt Stephan over zijn avonturen, hoe hij niet één keer maar twee keer bevrijd is door de Canadezen. En hoe hij voorkwam dat hij naar Duitsland gestuurd werd en op de boot terecht kwam, maar gezien de ruimte kunnen we maar één verhaal hier publiceren. De andere verhalen zul je kunnen vinden op wakenco.com.

Waar ben je nou heel erg gelukkig van geworden?

“Ik zal je vertellen, dat was een gelukkige reis van mij, het laatste halfjaar van de oorlog, toen moesten we allemaal naar ‘De Smilde’ toe, te scheppen, iedereen (tankgrachten en loopgraven maken voor de Duitsers-red.). Al was je nog 65 of 70, maar kon je wel een schep in de hand houden dan moest je naar De Smilde toe om te scheppen.”

“Maar wat gebeurt er? In februari begon Hitler de oorlog al aardig te verliezen, dus ze zorgden dat er weg kwamen, met scheppen kwamen ze terug, bij het tuincentrum. Daar was vroeger een kuiperij waar ze groenten voor vervoerden, maar nu zijn het allemaal bloemen. Maar de mannen gingen allemaal de kassen in, het was winter en de oude Hendrik kwam bij mijn vader, die heet Bouke, hij zegt tegen mijn vader: Bouke jongen, kun je met de boot die lui vervoeren?”

„Ze komen allemaal uit Bolsward en uit Sneek maar ze moeten door de sluis natuurlijk, bij Terherne, en daar zitten de Duitsers op. Maar ik kon wel goed met de Duitsers. Ik was geen NSB’er, maar ik liep ze niet voor de voeten; ik gaf ze ook wel eens een kistje spinazie, of worteltjes en dan nam ik wel eens wat eieren voor ze mee. Ze controleerden me nooit. Elke boot werd gecontroleerd, tot en met. Maar mij lieten ze geworden. Nou zei mijn vader, dat kan om mij wel maar ik kan het niet doen, niemand wilde het doen. Ik zei, een beetje branie-achtig, dat kun je wel nagaan, ik breng ze wel weg.”

„Ik had een man uit Sneek, en een vierde man aan boord, een zootje onderin, voorin en overal. Ik zette nog wat lege kisten met een kleedje erover neer alsof ik een vracht naar Sneek toe bracht, maar in Akkrum springt die man van de boot af! “Ik durf niet! Zeg tegen mijn vrouw dat ik niet kom!” Krijg ik dat ook nog achter, hou je stil juh! Toen kwamen we vlak bij Terherne, onder was het stil en ik klopte met mijn stok op het dek; allemaal muisstil. We voeren door de sluis, en toen bij Sumar klopte ik weer en toen begonnen ze allemaal te zingen. Dát was het mooiste moment!’

„Ik heb twee van zulke tochten gedaan, en wat heeft Van der Werf er aan over gehouden? Ze draaiden sigaretten met briefjes van tien, geld was niks waard! Je kon niks kopen! Er was niks! Je wist niet hoe een banaan of een sinaasappel eruit zag! Kon je niet kopen, en wat heb ik eraan over gehouden, een mooi zooitje scheppen. Maar ik heb nooit een onderscheiding gekregen, maar ik heb ze wel vervoerd hier vandaan. Als de Duitsers geweten hadden dat ik zoveel mensen aan boord had, dan had ik hier niet gezeten. Maar ja, een beetje branie-achtig...”